|
Herinneringen aan Snoerie
Eddy Opperdoes
Toen
ik pas lid was van de EZAC leerde ik dat een van de
gevaarlijkste dingen die bestonden was het ’s morgens
wakker maken van Snoerie. Ik heb het nooit aangedurfd.
Niet
dat deze edele heer een monster was op de vroege morgen.
Welnee. Ik kan mij nog goed herinneren dat wij beiden
ons op een goede morgen geposteerd hadden in het
halletje van het toenmalige clubhuis, een voormalig
schooltje, elk voor een ander prikbord. De prikborden
stonden in een hoek van 90 graden, en wij dus ook. “Huh”,
gromde Snoerie. “Huh”, antwoordde ik. Nog eens “Huh”,
met een welgemeend “Huh” als antwoord. Na wat heen en
weer ge”Huh” besloot ik de boeiende conversatie met
“Fijn je weer eens gesproken te hebben” en zonder hem
aan te kijken liep ik naar buiten. Ik weet zeker dat
Snoerie stond te grijnzen, maar zeker weten zal ik het
nooit.
Zo
nors hij soms kon wezen, Snoerie was en bleef een
instructeur in hart en nieren. Dat bleek duidelijk toen
ik mij eens onzeker voelde over mijn vliegkunsten en bij
hem in een kist stapte voor een lesvluchtje. Om mijn
onzekerheid te overwinnen, ouwehoerde ik wat tegen hem
aan, wat niet in goede aarde viel. (Snoerie-kenners
zullen dit herkennen.) “Niet lullen, vliegen!” klonk het
bars achter mij. “Als je zo begint, stap ik uit”, was
mijn reactie. Opeens werd Snoerie poeslief en met zware
Brabantse tongval klonk het “Ah, we gaan gewoon een
eindje vliegen…” (met drie zachte g’s). Snoerie bleef in
de eerste plaats instructeur.
Dat
ik hem wel eens tot wanhoop heb gedreven zal duidelijk
zijn. Wat moet je nog vragen aan iemand die drie keer
zijn theorie voor het zweefvliegbewijs over moet doen,
omdat er weer drie jaar verstreken zijn? Het laatste
mondeling examen Luchtvaartkaarten zag er ongeveer zo
uit. Snoerie en ik liepen van de kantine naar zijn
caravan en onderweg vroeg hij “Waar ligt Eindhoven?” Ik
wees naar het oosten. “Hoever?” “125 kilometer?” In de
caravan aangekomen werd het gesprek alleen maar
intelligenter. “Wat is dat voor een vlek?”, vroeg
Snoerie, terwijl hij zijn hand op Londen legde. Ik ging
meteen in de verdediging: “Ik heb hem niet gemaakt.” Nog
zo’n vraag: “Waarom hebben weilanden en akkers niet een
verschillende kleur? Nou, het ene jaar verbouwt die boer
er graan op, het andere jaar laat hij er koeien grazen.”
Om er vervolgens aan toe te voegen: “Ik vond hem wel
slim van mezelf.”
Of
die keer dat ik de weg was kwijt geraakt en de rode Ka8
bij IJzendijke had neergezet. Ik vloog die dag onder
verantwoording van Leen Jansen, want ik had nog geen ZVB.
Bij mijn terugkeer op het veld reed mij Snoerie tegemoet
met zijn Ka7 op de aanhanger. Uiteraard werd ik ter
verantwoording geroepen, daar midden op het pad. Hierna
vervolgde Snoerie zijn weg. Vlak voor de tunnel bij
Antwerpen verloor hij een vleugel, waar tot overmaat van
ramp een auto overheen reed. Gelukkig kon hij enige tijd
later een andere vleugel op de kop tikken. Een ongeluk
komt nooit alleen, zullen wij maar zeggen.
Dit
waren enkele herinneringen aan Henk van der Heijden,
beter bekend als Snoerie. Waar deze bijnaam vandaan
komt, zal wel altijd een mysterie blijven. Ik gun het
hem.
Snoerie, bedankt voor je geduld en het ga
je goed. |