"Piet Mout"

Trekken aan het langste touw.

Zweefvliegen heb ik geleerd in andere tijden,…. heel andere tijden.
De basisopleiding en 30 solo’s op de Rhönlerche voordat je mocht worden overgelest op de Ka8. Daarmee konden de proeven voor het zweefvliegbewijs worden afgelegd:
Proef A:
“Een reeks van vijf achtereenvolgende vluchten ……. in twee of meer dagen ……. waarin zo wordt geland, dat de eerste aanraking met de grond en de gehele uitloop vallen binnen een vóór de aanvang van de vlucht gemarkeerde rechthoek met zijden van dertig meter loodrecht op de startrichting en zijden van vijfenzeventig meter. De voorste begrenzing van de gemarkeerde rechthoek moet op tenminste anderhalve meter  hoogte worden gepasseerd.”
[i]
Proef B:
Als A maar dan met het verbod tot het gebruik van remkleppen tussen 10 en 150 meter. Met andere worden: sliplandingen.

Het absolute gezag over de vliegopleiding in de club en de veiligheid ervan lag in die andere tijden in handen van Snoerie. Gezag dat door Snoerie met zoveel autoriteit werd uitgeoefend dat er aan de ontvangerzijde meestal sprake was van ontzag, van angst en van beven. Snoerie  was in die tijd niet alleen chef-instructeur maar ook zo ongeveer de enige Ezac-instructeur. Leen Jansen was namelijk de enige instructeur uit eigen broedsel. Toch is de basis van mijn opleiding niet gelegd door Snoerie en staat zijn paraaf met code 65-53 vooral achter een incidentele checkstart en solovluchten die ik nog niet onder volledige eigen verantwoordelijkheid mocht uitvoeren. Leren vliegen heb ik in een NJHC-kamp, onder leiding van instructeurs die bij de EZAC hun studentenleven kwamen overdoen of meterdaad aangaven er spijt van te hebben dat het nooit tot een studentenleven gekomen was. Ik laat raden naar wat dat precies betekent, maar het antwoord moet vooral tussen zonsondergang en zonsopgang gevonden worden aan de bar.
Voor het theorie-examen en de proeven in bedrevenheid ter verkrijging van het weefvliegbewijs kon ik uiteraard niet om Snoerie heen.
Halverwege mijn 3e zweefvliegjaar meende ik voldoende vaardigheden te hebben opgebouwd om met enig vertrouwen op de goede afloop de bedrevenheidproeven af te leggen, te beginnen met de doellanden. Nummer één zat, en nog wel na een thermische vlucht. Met nummer twee was het niet anders. De derde vlucht was weliswaar niet thermisch maar werd mijns inziens afgesloten door een fraaie doellanding. Snoerie was de instructeur van dienst en ik meldde mij bij hem.
“Snoerie heb je m’n doellanding gezien?”
“Ja.”
“Wat vond je ervan?”
“Afgekeurd.”
“Wat was er dan niet goed aan?”
“Niks, maar je bent nog niet toe aan je zweefvliegbewijs!”
Eigenwijs als ik was heb ik dat jaar nog een poging gedaan. Die strandde bij de 2e doellanding; onder ooghoogte over de voorste grens van het doellandingsveld en dus afgekeurd. Daarmee deed ik netjes wat Snoerie van me verwachtte.
Mijn ZVB draagt het nummer 78-111.
De lezer mag concluderen in welk jaar bovenstaand voorval speelt.
PM


[i] Eerst Weten… dan Zweven; 4e druk; 1973

Terug     Home