|
De Eindhovense Aero Club
beschikte vijftig jaar geleden over een grote
“Amerikaan”. Acht cilinders, voldoende kracht voor het
maken van autostarts. Een gepantserde kabel werd
speciaal voor dit doel aangeschaft. Er waren wat
problemen. Zo werd in de start met tweezitters de
achterkant van de auto omhoog getrokken en verloor grip
op de startbaan. Drie leerlingen werden opgetrommeld en
moesten plaatsnemen in de ruime kofferbak. Na enkele
starts verdomden zij nog verder hun medewerking te
verlenen. Het was geen pretje achter in de bak. De
ongemakkelijke zit leverde nogal wat blauwe plekken op.
Het op en neer zwiepende kofferdeksel zorgde voor bulten
op hun koppen en bovendien bleek het niet ongevaarlijk
bij kabelbreuk. Verder leed werd voorkomen. De
leerlingen werden vervangen door een blok beton.
Instructeur Pa Thijssen stond
met zijn pijp in de mond naast de PH-209. Een Goevier.
“Zo Snoerie, stap
maar eens in. Dat is beter dan die ellende in de
kofferbak.”
Dat liet ik me geen twee keer zeggen. Enkele
minuten later waren we klaar voor de start. Het aroma
van zijn Amphora pijptabak vulde de cockpit. Pa was
gewend pijp te roken onder het vliegen. Van protesteren
was toen nog geen sprake. Als het al te erg werd en de
leerling ging hoesten, werd door kortstondig slippen de
walm door de geopende raampjes naar buiten gedreven. Een
vernuftig korfje op de pijp voorkwam dat brandende tabak
door de cockpit vloog. Op die manier werd een al te
rigoureus einde aan de vlucht voorkomen.
“Ging hij maar
pruimen,” dacht ik bij mijzelf. Tijd om te griezelen
over de plek waar zijn fluimen dan terecht zouden komen
was er niet. De kabel kwam strak. Pa klemde zijn pijp
tussen de tanden. Daar gingen we. Op dertig meter hoogte
liep de snelheid terug. Je voelt het overschakelen van
de auto. Licht bijprikken en na enkele seconden komt de
kabel weer strak. Dit herhaalde zich twee keer en was
het echte verschil met een lierstart.
De gepantserde kabel bleek
harder te slijten dan verwacht. Verder was de Luchtmacht
niet te spreken over de vernielingen aan de
baanverlichting. Met de lange kabel werd menige baanlamp
omvergetrokken. Bovendien gingen er een aantal
snotneuzen aan. Dit zijn grote stalen kannen in de vorm
van een gieter. Gevuld met petroleum en een dikke lont
in de tuit dienden de snotneuzen als
noodverlichting voor de startbaan.
De goede samenwerking
kwam onder druk te staan. Er werd gestopt met
autostarts..
|