Het voorntje

HET VOORNTJE

Een verhaal over vissen, een oude generaal, een dorpskapper en wat zweefvliegen. Hoe een blinkend visje, zich vaak schuilhoudend in het riet, een hoofdrol gaat spelen. Een tragische rol. Inzet van een weddenschap.

Mik, mijn Dalmaatje, schoot het steile pad af naar beneden. Vol ongeduld om de honderd meter wachtend. Water baas, kom op, kom op, en dook weer de hoek om. Beiden gingen we het steile pad af naar de Allier, vanaf Camping Château La Grange Fort. Een grote vesting met ronde torens in een uniek bouwstijl. Zo van……..Ze smelten de kazen……….Ze smelten de kazen………..Blaffend kwam het stuk ongeduld weer terugrennen. Ik liep voorzichtig met mijn handen vol. Een misstap of schuiver en ik zou met mijn hengels, viskoffer, schepnet en stokbrood in de diepte zijn geduikeld.

Traag stroomde de rivier aan ons voorbij. Mik die naast me lag, met zijn neus tegen de handdoek waaronder ik het stokbrood had verstopt, gromde licht en keek omhoog. “Allemaal voor die stomme vissen,” las ik in zijn vragende ogen. Een motorvliegtuig vloog laag aan de overkant op weg naar het vliegveld Issoire, iets verderop. Een bontgekleurde IJsvogel zat vlakbij op een tak. Bewegingloos, zich niets aantrekkend van onze aanwezigheid. De vogel dook naar beneden, steeg vol spetters het water uit en verdween pijlsnel. Laag scherend over het water. Mik schrok, blafte en keek me aan. Zo van: “Nou jij.”  Het zou nog uren duren. Zoals de vorige keer, lang geleden, aan de overkant in de bocht bij diezelfde rivier.

Eind februari 1966. Ik zat te vissen. Provisorisch met een stok, een goedkoop lijntje, een glazen pot met wat wurmen en een half stokbrood. Ik was gekomen om te zweefvliegen. 5000 Meter hoogtewinst halen in de golfstijgwind van het Massif Central. Het weer liet dit niet toe. Wolken dreven laag over het grote kasteel op de steile heuvel aan de overkant. Vissen is wachten. De dobber stond roerloos en ik dacht aan onze reis van gisteren……………….

Samen met Jan van den Broek, Puck Smits en Gerard Louwers hadden we twee dagen gereisd. Over landelijke wegen waren we gekomen. Vier man, twee auto’s en een zweefvliegtuig op een aanhanger. Dwars door pittoreske dorpen, waar oude gevels uit vermoeidheid naar elkaar toe groeiden.  

We stonden stil voor het vliegveld Issoire. De slagbomen van de spoorlijn, die langs de rand van het veld liep, waren gesloten. Geen trein te zien. De bomen bleven dicht. Nog geen trein te zien. Hier konden we oud worden. Het spoorwachterhuisje lag er verlaten bij. Stilte, geen enkel geluid. Niets. Na een tijd verscheen, vanachter het huisje, een kruising tussen een gepensioneerde generaal en een dorpskapper. Imposante stoere snor, alpino pet en een stoffige loop. “Aha, Hollandais.” De generaal had onze nummerborden opgemerkt. “U moet toeteren, dan help ik u.” “De bomen zijn altijd gesloten en gaan pas open bij verkeer. Hier moeten de conducteurs op hun hoede zijn, niet jullie,” lachte de olijke dorpskapper. Hij leunde op het portier. Rode wijn, escargots en knoflook dreven de auto in. Hij maakte zich op voor een lang verhaal. Wij maakten dat we wegkwamen.

De dobber bewoog met korte tikjes en verdween. Een vis, een vis, ik heb mijn eerste vis gevangen in het buitenland riep ik in de stilte om mij heen. Ik wil niet overdrijven. Vissers doen dat graag met wijde gebaren. Ik niet, niet in dit verhaal. Het zou ongeloofwaardig worden. En ik blijf bij mijn belofte dat de kern van alle verhalen die ik schrijf waar is. De vis paste in het glazen potje. Een voorntje.

Ik liep naar de oude barak waarin wij verbleven. In een brief was het logement genoemd. Fransen…..die kunnen overdrijven! Zie de foto samen met Jan van den Broek in de “keuken” van ons “logement.”  Bezig met  bereiden van een maal. Nou ja…….maal. Zie ons nieuwsgierig loeren in de pan en overleggen hoe we die dag de soep zouden noemen.

De deur klemde en sloeg met een klap los. Het logement bleef staan. Daar stond ik, trots met de buit. “En………genoeg voor ons vieren?” “Helaas, de pan is te groot.”  Ik haalde het potje achter mijn rug tevoorschijn. “Waar is de rest?” “Alle anderen zwemmen in de rivier, ze pasten niet in het potje. Deze gaat zo ook terug, of in de soep.” “Snoerie,”  vroeg Gerard, “waarom eet je hem niet op, dat doe je toch ook met motten en wurmen?” “Opeten? Gekaakt of ongekaakt?”  “Niks schoonmaken, recht uit de pot.”  Twijfel overviel me. Motten en wurmen was ik gewend, maar een spartelend visje? “Goed dan, op een voorwaarde. Dat ik de eerste vlucht mag maken in de golf.” Ik hield de vis boven mijn mond. Er kwam geen antwoord. Langzaam liet ik de vis naar binnen glijden. Sprakeloos werd er geknikt. Ik zou als eerste vliegen.

Terug naar: "andere verhalen over vliegen"

Terug

Home