|
Een kind was ik nog. In de tuin van
Fien Wijn stond een paard. De boeken van Arendsoog en
Witte Veder had ik verslonden. Paardrijden zonder zadel.
Over de vlakten. Avontuur.
Het paard stribbelde tegen. Trots
zat ik op de rug. Met strakke blik. Gericht op de blauwe
bergen in de verte. Held van het wilde Westen. Zoals op
de kaft van het boek. Zachtjes stapte het paard
voorwaarts. Een schreeuw en een klap op de kont. Het
paard bokte en schoot vooruit. Gejuich van mijn
vriendjes. Aan het einde van het lange pad stond een
beukenheg. Metershoog. Het paard bleef rennen.
Alstublieft, er niet overheen. Ik klemde mijn armen
stevig om de hals. De heg doemde op. Vlak daarvoor hield
het paard plotsklaps in en schoot naar rechts. Geen
houden aan. Ik hing in de heg. Vol builen en schrammen.
Eens en nooit meer. Plezier zou ik in een cockpit gaan
beleven.
De titel van het verhaal is
tweeledig. Hoe gaan zweefvliegers om met paarden en hoe
zien paarden zweefvliegers. De voorbeelden zullen het
duidelijk maken.
Neem nou Swellengrebel. De naam
is echt, maar zou verzonnen kunnen zijn door de makers
van “De
brave soldaat Schweijk” of “Those magnificent men in
their flying machines.”
Swellengrebel, een kleurrijk zweefvlieger. Een
man die een bijzondere en vaak creatieve invulling gaf
aan de spreekwoordelijke discipline in de vliegwereld.
Vanzelfsprekend leverde dit conflicten op.
Swellengrebel zat daar niet mee.
Op een mooie ochtend verscheen hij
bij de hoofdpoort van de militaire vliegbasis Welschap.
Op een groot paard. Weliswaar gehuurd, maar toch. De
strenge bewaker van de basis hield hem staande.
“Mijnheer, huisdieren zijn hier niet toegestaan.” Swellengrebel glimlachte, toonde zijn pas en sprak
vanuit de hoogte de militair toe met de historische
woorden: “Beste man, dit is geen huisdier maar een
vervoermiddel. Sta mij toe met mijn metgezel mijn weg te
vervolgen.” En zo galoppeerde er, tijdens het vliegen,
eens een paard over de zweefvliegstrip.
Swellengrebel verscheen.
Bond het paard aan de startbus, graaide wat hooi
uit een zadeltas en ging zweefvliegen.
Zijn laatste vlucht bij de club was
echt op zijn Swellengrebels. Landing dwars over het
veld op de toegangsstrook richting hangar. Uitrollen met
hoge snelheid. Rondweg voor de hangar oversteken. De
wielrem van de ASK-21 werkte perfect. Swellengrebel
stond stil. Midden in de hangar. De waarschuwende tekst
op de borden naast de rondweg: “Overstekende
zweefvliegtuigen” had hij wel heel letterlijk opgevat.
Swellengrebel vertrok. Hij werd cowboy. In de lucht.
Ook wel bushpilot genoemd.
Lang geleden ontbrak het de
Eindhovense Aero Club aan een clubhuis. Men zocht
vertier in de “Nightcap” of ging naar Janus van der
Velden van manege “De Korze” in Veldhoven. Janus was
de Swellengrebel onder de kasteleins. Alles mogelijk.
Nooit een probleem. Altijd lol. Maar wel binnen de
normen van die tijd.
Janus had de grote gave klanten aan
zich te binden. Stond men op punt van vertrekken dan
moest er een nieuw drankje worden geproefd. Of hij dook
de keuken in en verwende zijn gasten met Brabantse of,
wat toen bijzonder was, culinaire gerechten uit verre
landen. “Eet maar zoveel een paard trekken kan” zei
Janus dan. Zijn nasi was beroemd tot ver over de Gender,
een smal riviertje dat naast de manege stroomde.
Janus verhuurde paarden.
Gemakkelijke knollen. Die de weg naar de manege, met of
zonder ruiter, altijd terugvonden. Een groepje dames van
de EAC verkoos de manege boven de startplaats. Verleid
door Janus. Eerst paardrijden en daarna aan de sherry.
Het kon niet uitblijven. De mannen werden verleid door
de dames. Eerst op de knie, daarna op het paard. En zo
maakten de paarden van Janus kennis met zweefvliegers.
Moed indrinken voor het vliegen is
niet toegestaan. En alvorens te gaan paardrijden niet
echt verstandig. Maar goed. De eerste “les” kon
beginnen. Ik stond erbij en keer ernaar.
Jo Tebak, in zijn kinderjaren ook fervent lezer
van Arendsoog, was de moedigste van het stel. Hij rende
op een paard af en dook op de rug. Het paard
protesteerde. Jo gleed over het zadel, lazerde in een
hek en scheurde zijn broek. Van boven tot onder open.
Einde oefening. Ik hoorde het paard (gr)hinniken….
Uiteindelijk zaten de ruiters trots
op hun paard. Maar dan. Paarden voeren weinig uit zonder
commando’s. Manegepaarden kennen de klanten nog beter
dan Janus. De paarden waren niet vooruit te branden. De
helden van “De Korze” bleven roerloos op de
binnenplaats. Plotseling stapte er toch een paard
spontaan op. Langzaam weliswaar, maar kordaat. Richting
stal. De ruiter moest zijn hoofd intrekken. Ik volgde te
voet. Het paard sjokte de stal in. De rit van de
zweefvlieger had nog geen dertig seconden geduurd.
Zolang als bij zijn eerste vluchten. Lang geleden. Met
de ESG.
Ton Heesakkers kreeg na wat geduw
en getrek zijn paard op gang. Niet richting stal. Over
het bruggetje. In een rustig tempo. “Kijk, zo moet
het,” riep Janus. Het paard liep verder. Ton wilde
naar de bossen en vlakten in de verte. Langs de molen.
Het paard dacht er anders over. Het sloeg linksaf. De
wei in. Lekker gras. En daar zat hij dan.Verbaasd en
ietwat ongelukkig om zich heen kijkend. Vanaf een
grazend paard. Don Quichotte van de Gender.
.
|