Bombs away

Eind jaren vijftig werden op de militaire velden al vliegshows gegeven. Ook op vliegveld Welschap waar duizenden bezoekers de veelzijdigheid en vuurkracht van de Koninklijke Luchtmacht konden aanschouwen. Door het vertonen van suprematie in de lucht gaf men vertrouwen aan het publiek dat een volgende oorlog niet te verliezen zou zijn. Alle soorten vliegtuigen werden voorgevlogen, van langzaam tot snel. Een van de onderdelen in het programma was het voorvliegen van de Tiger Moth, een tweedekker die ook gebruikt werd voor het slepen van zweefvliegtuigen.

Met allerlei capriolen toonde de vlieger wat je allemaal met een Tiger Moth kunt uitspoken. Tot dat ene moment, waarbij op lage hoogte de kist uit een looping werd overtrokken en pal voor het publiek heel langzaam en sierlijk met zijn neus de grond in dook en keurig met zijn staart omhoog bleef staan. De vlieger was ongedeerd, keek eens naar links en rechts, terwijl het publiek opveerde en luid begon te applaudisseren. Rustig maakte de vlieger de riemen los, maar nadat hij zag dat er vlammen langs de motorbeplating lekten, verhoogde hij rap zijn tempo, maakte dat hij uit het vliegtuig kwam en holde richting tribune. Een koddig gezicht met zijn chute, bengelend aan zijn achterwerk.

Het dolenthousiaste publiek was niet meer te houden. Het geklap en gejoel overstemden de verwoede pogingen van de omroeper die wilde vertellen dat het hier niet ging om een geslaagde act, maar om een echt ongeluk. Men hoorde het niet of wilde het niet horen. Een boeiend schouwspel, mede dankzij vergeefse pogingen van de brandweer het vuur te blussen. Na enkele minuten stak alleen nog een geblakerde romp omhoog en getuigde van een, in de ogen van het publiek, perfect geslaagde demonstratie.

Ook spectaculair bij de shows was het afwerpen van bommen. Speciaal hiervoor was een houten keet met een felgekleurd dak gebouwd. Weliswaar wat verder van het publiek dan de Tiger Moth, maar toch. Na enkele scheervluchten op geringe hoogte met een Thunderstreak kwam de aanval. In rechte lijn werd laag aangevlogen op het doel en werden twee bommen gegooid. Succes verzekerd, kwam het niet door de bekwaamheid van de vlieger, dan wel door de sergeant in de bosjes die bij het voorbij schuiven van de bommen op een knop drukte. Op het juiste moment vloog dan de keet de lucht in. Zo bleven vlieger en Luchtmacht gevrijwaard van mislukkingen en kreeg het publiek waar voor zijn geld. Overigens was de toegang gratis en kostte een Jamin Dubbeldik toen maar tien cent.

Op een aantal uitzonderingen na, waren de weekends voor de zweefvliegers. Zo ook vandaag, twee weken na de show. Alweer een kabelbreuk. De zoveelste al. Door de dwarswind moesten we de kabel zoeken in de buurt van de brandplek waar enkele weken ervoor bommen waren gegooid. De overblijfselen van de keet lagen er nog, een snoer was niet meer te zien. Het publieke geheim was opgeruimd. Bij het terugrijden naar de lier ontdekten we een vreemd voorwerp in het gras. Het zag eruit als een groot half ei, met een vlakke onderkant. Boven op de ronding van het ding zat een vreemdsoortige schroef. Uit nieuwsgierigheid maar meegenomen naar de lier, waar eerst de kabel werd gerepareerd. Onder het splitsen kwam een Tiger Moth overvliegen met een Grunau Baby aan de sleep.

We bleven met zijn tweeën over bij de lier toen de kabels werden uitgereden. Een mooie kans het voorwerp eens goed te onderzoeken. We vroegen ons af wat het kon zijn. Jammer genoeg, of maar goed ook naar wat even later zou blijken, was er geen gereedschap op de lier om de schroef los te draaien. "Hier vangen," riep Fred Clevers en gooide het ding, dat enkele kilo's woog, naar mij toe. "Laat het niet op de grond vallen," riep ik, terwijl ik het teruggooide. 

Het lichtsignaal op de startplaats maakte een einde aan de pret. Er moest gelierd worden. Weer werd het ding door Fred mijn kant opgegooid. Ik ving het op, draaide me om en zo hard als ik kon smeet ik het met een zo groot mogelijke boog achter de lier. Terwijl ik me omdraaide volgde achter mij een enorme klap. Instinctief dook ik voorover en met mijn armen in mijn nek probeerde ik me te beschermen. Ik loerde onder mijn elleboog door en zag Fred uit de lier springen en verschrikt om zich heen kijken. Terwijl ik opstond en voelde dat ik ongedeerd was zag ik rondom de lier binnen een straal van dertig meter honderden kleine vlammetjes branden in het gras. Daarboven een kolom rook van zeker twintig meter. Beduusd en vol verbazing keken we omhoog en om ons heen. "Je jack staat in brand," riep Fred. Snel trok ik het jack uit en doofde de vlammetjes, terwijl in het gras deze vanzelf uitgingen.


"Ik dacht dat de lier in de fik stond," riep Karel ten Hove, de sleepvlieger die in de sleepvlucht vanuit zijn Tiger Moth de rook had gezien en bij de lier was komen landen. "Wat is hier aan de hand?" Een korte beschrijving van het gebeuren deed Karel de wenkbrauwen fronsen. "Het woog een paar kilo, was rond van boven, met een vreemde schroef, en......." "Ik weet het al," zei Karel. "Jullie hebben zitten rotzooien met het onstekingsmechanisme van een napalmbom. Aan de schroef hoort een kleine propeller te zitten, die na het loslaten van de bom bij een bepaalde snelheid de ontsteking in werking stelt". De Brandweer die ook op de rook was afgekomen en snel ter plaatse was, bevestigde het verhaal en wist nog te vertellen dat de vlammetjes die we hadden gezien fosfor was. Bij een correcte ontsteking wordt het fosfor als het ware de bom ingeschoten en zorgt voor de verbranding van de napalm. "Raakt de bom eerder de grond, jammer dan."

"Mijn moeder gelooft me niet als ik vanavond thuis kom met mijn jack vol brandgaatjes." "Zou ik ook niet doen," zei Karel, terwijl we keken naar de inslag, een gat van zo'n veertig centimeter diepte. "Al gooi je zo'n ding een miljoen keer op de grond, het kan gewoon niet ontploffen. Alleen de propeller activeert de ontsteking heb ik op cursus geleerd." Ik vroeg me hardop af hoe die keet op de laatste show dan wel in de lucht was gevlogen. "Ons geheim" zei Karel, die als jachtvlieger dagelijks vloog met Thunderstreak en T-33. Hij draaide zich om en liep naar de Tiger Moth. "Vertel dat geheim maar aan mijn moeder, samen met die brandgaatjes, als je weer eens bij ons thuis komt." riep ik hem na. 

Twee weken waren voorbij gegaan. Mijn moeder geloofde me nog steeds niet en Karel was nog niet op bezoek geweest. Het was zaterdag en op de startplaats zwaaide de kabelchauffeur naar mij: "Snoerie, halverwege de lier ligt volgens mij nog zo'n ding als laatst." "Ik rij mee naar de lier, kunnen we even kijken," zei ik terwijl ik instapte. En ja hoor, precies dezelfde. "Niks daarvan," schreeuwde de chauffeur toen ik naast hem ging zitten met het ding op mijn schoot. "Terugleggen en snel!". "Ja, maar volgens Karel mag ik dit nog zeker negenhondernegenennegentigduizend keer laten vallen voordat het ontploft." "Niks mee te maken, Karel kan me wat. Laten liggen, we gaan terug naar de startplaats." Daar besloot de instructeur de Officier van Dienst te waarschuwen.

Snel kwam er een heel circus op gang. Vermakelijk te zien wie er allemaal kwamen opdagen. De Officier van Basisweekdienst, Sergeant van de week, Brandweercommandant, Hoofd Bewaking en de Wachtcommandant. Allen begeleidt door de nodige secondanten. Voor velen was het de eerste keer dat men zo'n gevaarlijk ding zag. Ik probeerde mijn verhaal nog eens te vertellen, maar werd door de officier onderbroken met de mededeling dat het meteen zou worden verwijderd.

"Kapitein," beval de Majoor. "Kunt u zorgen dat het opgeruimd wordt." "Natuurlijk Majoor," knikkend naar de Sergeant van de Week, die om zich heen keek en in de groep een korporaal ontwaarde. De korporaal, die de nattigheid al voelde aankomen glimlachte licht naar enkele soldaten die zich in de achterhoede hadden teruggetrokken. "Soldaat Jansen, meenemen die hap en samen met de chauffeur van dienst afleveren bij het munitiehok." Jansen stapte in de jeep. Terwijl ze wegreden zag ik dat hij het ding niet op zijn schoot had, maar op armlengte voor zich uit hield. "Zie je wel dat je ermee kunt rijden. Als het ontploft, wat helemaal niet kan, is het enige verschil met mij dat de brandgaatjes aan de voorkant van zijn jack zitten. Ik hoop allen dat hij een moeder heeft die hem dan wel zal geloven!”.

.

Terug naar: "andere verhalen over vliegen"

Terug

Home