Puntschoenen

"Kijk," zei Piet de Waard, onze voorzitter, dit wordt de nieuwe startmethode. De kabel van het voorloopstuk is dubbel over een lengte van circa een meter. We maken de chute en het voorloopstuk vast aan dezelfde ring en voor de start stoppen we de chute tussen het dubbele voorloopstuk. Na het oplieren, als de kabel wordt ontkoppeld, zal de chute uit het voorloopstuk worden getrokken en, zoals anders, zorgen voor het afremmen van de kabel.. Voilą, het ei(tje) van Columbus lag voor ons. 

Na wat aanloopproblemen leek het systeem te werken. Tot 8 maart 1959, om precies te zijn om 13.13 uur. Bijgelovigen zullen de verdere ontwikkelingen wijten aan het tijdstip. Ik niet. Het was niet mijn vlucht 113, maar 114. Vandaar. 

Ik zat startklaar in de Baby, PH-158. Jan van Tilburg, de dienstdoende instructeur stond aan de tip. De kabel lag niet recht voor de kist. Bij het straktrekken werd de chute gedeeltelijk tussen het voorloopstuk uitgetrokken. Ik keek naar Jan. Zag geen reactie. Starten dan maar. Op een paar meter hoogte kwam de chute los en begon rond te tollen. De tollende chute verdween onder de neus van de kist en langzaam liep de snelheid terug. Het gebeurde wel vaker in het begin van de start dat de liermotor even haperde. De afname van de snelheid lag echter niet aan een hapering. De lierman, Mart Heesakkers, dacht bij het zien van de chute dat de kabel los was van de kist en minderde gas. Door mijn reactie liep de snelheid nog verder terug en raakte de kist geheel overtrokken. TE LAAT............. Het werd akelig stil. De neusstand was te hoog. Over de rechtervleugel dook de kist naar beneden. Knuppel naar voren en links voeten. TE LAAT........... Het mocht niet meer baten. Het gras kwam razendsnel op me af. De PH-158 dook de grond in. Eerst met de rechtervleugel en direct daarna met de neus. 

In een beklemmende stilte zat ik in de kist, nog met de voeten naar links en de knuppel naar voren. Ik maakte de kap los. Het lukte mij niet zelfstandig uit de kist te klimmen. Ik werd geholpen. Even later lag ik in het gras. Geheel versuft. "Heb je pijn?" vroeg Jan. "Nee, niet echt, alleen mijn stuitje doet zeer." Een poging daarbij een opgewekt gezicht te zetten mislukte jammerlijk. Even later kon ik toch weer lopen, zij het moeizaam. Ik hoefde niet te helpen bij het opruimen van de kist. "Maanden werk, maar te doen" zei techneut Giel Frijters. Hij raapte het rechter rolroer op van de grond. Dit was blijven liggen nadat de kist was rechtgezet. De rechtervleugel had de val gebroken. Dat was mijn geluk geweest. 

Ik bleef moeilijk lopen. Besloten werd een bezoek te brengen aan de MGD. "Verrekte spieren en een blauwe kont," was de conclusie van de dienstdoende militaire arts. "Over een paar dagen moet het over zijn. Volgende week kun je weer vliegen." Geen medicijnen nodig. We waren blij met de afloop, al had ik de club opgezadeld met een hoop werk. De dubbele voorloopstukken verdwenen en de chutes sleten weer hard en werden even smerig als voorheen. 

Met mijn achterwerk los van het zadel fietste ik naar huis. Volgende week weer vliegen dacht ik. Als ik thuis vertel wat er gebeurd is kan ik dat wel schudden. Mijn moeder zal huilen, mijn vader zal opvliegen. Beiden zullen me weer vertellen dat vliegen gevaarlijk is en me dwingen te stoppen. Als mijn vader boos wordt, wil hij nog wel eens een lel uitdelen of een schop onder de kont geven. Dat laatste leek me helemaal pijnlijk. Vooral vandaag. Het was zondag, mijn stuitje deed pijn. Op zondag droeg mijn vader puntschoenen. Als hij je daarmee in je hol raakte liep je nog uren rond als een wielrenner bij de eindstreep, na honderden kilometers fietsen. Nee, ik wilde mijn ouders en mezelf alle ellende besparen en besloot niets te vertellen en er een geheim van te maken. 

"Ik weet niet wat ik heb," zei ik tegen mijn bezorgde moeder. Moeizaam zat ik kaarsrecht aan tafel soep te slurpen. "Iets aan mijn spieren denk ik, over een paar dagen zal het wel over zijn." Pas na tientallen jaren heb ik mijn ouders de waarheid verteld.

De arts had gelijk. De pijn werd minder, mijn kont bleef blauw, (maar dat zag toch niemand) en ik liep weer normaal. Een week later zat ik, enigszins gespannen, weer klaar voor de start in onze Prefect, de PH-193. Een checkstart was niet nodig. Pa Thijssen kwam naar me toe. "Ik heb gehoord over vorige week. Nu hoor je er ook bij, elke goeie vlieger kraakt wel eens een kist." Hij noemde een aantal namen, waaronder die van zichzelf. Een indrukkende lijst. Om uiteenlopende redenen werden er elk seizoen wel enkele kisten gekraakt. "Ik zal het toch maar bij die ene houden en beloof niet te steil te starten." "Het is je geraden." Pa liep naar de tip, met zijn pijp een reukspoor van Amphora trekkend en zijn hoofd in de (rook)wolken.

.

Terug naar: "andere verhalen over vliegen"

Terug

Home