|
Augustus 1964. De terugsleep met de Ka-8, na het zomerkamp te Malden, verliep rustig. Onze sleepvlieger Mat Jansen sleepte mij op vijfhonderd meter richting Eindhoven. Geen vuiltje aan de lucht.
Vreemd, dacht ik. We zitten nog maar op 400 meter. Onmerkbaar waren we gezakt. En langzaam maar zeker bleven we zakken. Voorbij Sint Oedenrode vlogen we lager dan 250 meter. Ook niet op koers naar het veld. Radio hadden we niet in die tijd. Afwachten maar. Blijven hangen. Slechts 150 meter bij Son. Nog steeds zakten we, en vlogen richting Best. 130……120….100... meter. Akelig laag, het veld nog kilometers verwijderd. 90…80 meter. Recht naar Best. Nou gaat ie ook nog een bocht maken. Hij lijkt wel gek geworden. Als ik er nu af moet heb ik echt een dik probleem, dacht ik. Blijven hangen. Concentreren op de bocht. We vlogen om de kerk heen. De torenhaan keek ons na. Plotseling ging het raampje van de Piper omhoog. Mat stak een hand naar buiten. Hij begon te zwaaien. Hij zal toch niet willen dat ik er af ga. Hier, recht boven het dorp!! Dat is zelfmoord. Ik begreep er niets van. Rustig blijven en afwachten. Ik kon niets anders verzinnen. Het raampje ging dicht. De Piper begon te klimmen. Richting Welschap. Ik voelde mijn natte rug toen ik uitstapte. Mat zag het en glimlachte. "Ik dacht, die Snoerie blijft wel hangen. Ik ben even over ons huis gevlogen in Best. Ons moeder stond in de tuin. Ik heb gezwaaid. Dan weet ze dat ik straks op tijd ben voor het eten!!!!!!!!!!
.
.
|