|
Jarenlang had ik als kind veel vrije uurtjes doorgebracht bij het kanaal aan de rand van Welschap. Vliegen dat is wat ik wilde. Niet alleen zien, maar zelf meemaken. Ik fantaseerde er op los. De ongelukken die ik van dichtbij had gezien met Thunderstreaks en T-birds, meestal met dodelijke afloop, konden mij er niet van weerhouden dat onweerstaanbare te zoeken in het vliegen.
Ik was veertien jaar. Na het zoveelste gespannen en onplezierige gesprek met mijn ouders sprak mijn vader de verlossende woorden: "Als je slaagt voor de Mulo, mag je beginnen met zweefvliegen." Alleen ik betaal niet alles had hij gezegd, je moet zelf ook bijdragen. Eindelijk waren we beiden van het gezeur af.
De voor die dagen moderne vloot bij de Eindhovense Aero Club bestond uit een Rhonlerche, twee Goeviers, enkele Baby's en een Prefect. Een zelfgebouwde lier en een paar Tiger Moths van de Luchtmacht voor het slepen. Ik vermaakte me al snel in de hechte enthousiaste gemeenschap van zwoegende zweefvliegende ploeteraars. De periode van het vliegen met de ESG was net afgesloten toen ik lid werd in 1956. Erg jammer, te oordelen naar het verhaal wat mij vrij snel ter ore kwam.
Zweefvliegsters waren schaars binnen de vliegerij. Een enkeling waagde zich in die mannengemeenschap. Vaak kregen zij nogal wat te verduren. De EAC kon zich verheugen op een nogal pronte dame, edoch niet van onberispelijk gedrag. Op een zonnige zomerdag hadden de kerels haar zover gekregen in haar nakie te gaan vliegen en wel met de ESG. Als weddenschap, met een beloning die achteraf zou worden bepaald. Zonder aarzeling had zij de uitdaging aangenomen. Zij die met de ESG hebben gevlogen weten welk een wijds landschap zichtbaar is zonder cockpit. Vandaag gold dit niet alleen vanuit de ESG. Er werd geloot wie de kabel mocht aanhaken en wie tip zou lopen. En daar schoot zij de lucht in. Dit was pas lachen geblazen. Helaas was zij niet op de hoogte van een geheime afspraak met de lierman. Op tachtig meter hoogte gooide de medeplichtige het gas dicht. Was het op tweehonderd meter al een hele toer met een ESG de startplaats te bereiken, nu zat er niets anders op dan rechtuit te landen. Brullend van het lachen genoot de lierman van het schoons dat voorbij kwam. De waaghalzerij kwam ten einde aan de rand van het veld vlakbij het kanaal, waar altijd publiek stond. Dit ging haar eer te na. Voor het eerst werd zij verlegen en pardoes dook zij op haar blote buik in het gras, roerloos wachtend op de zweefvliegers, die haar zo spontaan kwamen feliciteren met haar getoonde moed. Echt boos werd ze toen ze er achter kwam dat haar kleding was achtergelaten op de startplaats. Begrijpelijk was van welke beloning dan ook geen sprake.
Er bevonden zich binnen de vereniging nogal wat jongeren. Zweefvliegen was niet duur voor zogenaamde scholieren. Kwam men in aanmerking voor de status scholier dan kreeg men, na een strenge keuring, gedurende drie jaar subsidie van Defensie. Het lidmaatschap bedroeg acht gulden per maand en elke start kostte een kwartje. Veel vliegen betekende meer geld. Die kwartjes moesten ergens vandaan komen.
Wie het idee heeft geopperd weet ik niet meer, maar plotseling stak het fenomeen ontgroening de kop op. Om binnen de gesloten kring van zweefvliegers te worden geaccepteerd moest elk nieuw lid een regenworm eten. Zo 'n beest wordt ook wel pier genoemd. Dat dit op scherp protest stuitte bij de nieuwkomers zal duidelijk zijn. Helaas was de overmacht steeds te groot voor allen die tegenspartelden. Het slachtoffer werd beetgepakt en de neus werd net zolang dichtgehouden tot de pier door de open mond naar binnen kon worden gewurmd. De instructeurs beschouwden het als een onschuldig vermaak en grepen nooit in. Alle slachtoffers beschikten over hovenmenselijke krachten als de pier op de tong werd gevoeld. Loslaten was daarom het slimste en de pier werd dan bulkend uitgespuugd. Diende er zich op een dag een tweede nieuweling aan, dan werd net zolang op hem gejaagd tot ook hij kotsend in het gras lag, met een schielijk tussen de grassprieten verdwijnende pier.
Onze voorzitter Piet de Waard was een joviale kerel. Bovendien instructeur. Vertegenwoordiger bij Hercules en als een van de weinige leden in het bezit van een auto. Een man in goeden doen dus. Op een dag had ik al drie keer gevlogen en door geldgebrek besloten te stoppen. Dan maar dat onschuldige nieuwe lid ontgroenen. Opnieuw daalde na de nodige hilariteit de pier met een boog neer in het gras. "Jammer dat hij hem niet heeft doorgeslikt," zei Piet. Ik rook geld en in een overmoedige bui riep ik: "Voor een gulden doe ik dat wel." Een sneller antwoord had ik niet verwacht. Binnen enkele seconden lag er een gulden en een pier in mijn hand. Zo'n glad beest, glanzend rood, met aan beide uiteinden wat zand. Alsof er niets aan de hand was stak ik de gulden in mijn zak en de pier in mijn mond, slikte een keer, opende wijd mijn mond en liet zien dat ik eerlijk had gewonnen. Ik kon weer vier keer vliegen.
Piet ging mij beschouwen als zijn circus act. Als hij gasten ontving die wel in waren voor een geintje had hij de grootste lol. Eens werden twee kwartjes in mijn handen gedrukt. "Te klein," zei Piet en opnieuw stonden de gasten te kokhalzen. Toen heb ik geleerd eerst mijn hand op te houden en dan pas te reageren.
Tot een zekere de Kruif in geldnood kwam. Voor deze man moet ik u waarschuwen. De Kruif was onvoorspelbaar en dat was niet alleen te zien aan zijn landingen. Onverwacht kon hij uit de hoek komen. Nadat ik op een dag weer mijn startgeld wilde verdienen riep hij plotseling: "Veur unne riksdaalder knauw ik 'm kapot." Je kon horen dat hij uit Son kwam. We werden jaloers op tien gratis starts en zonnen op wraak. Een wraak die we alleen konden vinden in een uitzonderlijk grote pier. En die werd gevonden. Laat hem nou maar eens komen. De pier paste nauwelijks op zijn hand. De onvoorstelbare en onverstoorbare de Kruif stak het beest in zijn mond en maalde krachtig met zijn kaken. Doodgemoedereerd deed hij zijn mond open en toonde de viezigheid. "Veul eiwitte." riep hij en klemde zijn tanden op elkaar. De troep kwam overal tussenuit. De stukken die naar buiten dreigden te vallen werkte hij met zijn tong weer naar binnen. Grijnzend nam hij de rijksdaalder aan en maakte abrupt een einde aan de pieren periode. Het was duidelijk af te lezen aan alle gezichten. Dit was echt het einde. Een keer was genoeg. Geen sponsorstarts meer, voor niemand.
En daar waren ze dan, ze kwamen uit het niets. De Wijnhovens. Drie zussen die wilden gaan zweefvliegen. In één klap was de EAC drie zweefvliegsters rijker. Fraaie meiden, vooral de oudste. Ruim twintig jaar oud, welgevormd, brutale ogen. Wat een weelde voor de EAC. Vooral op warme dagen. Stilaan werd gefluisterd de ESG maar weer eens van stal te halen. Ik wil niet beweren dat de club op hol sloeg, het bracht toch kortstondig een hoop beroering teweeg. Iedereen sloofde zich uit de meiden de fijne kneepjes van het vliegen bij te brengen. En de meiden knepen mee en dan ook.
In de zomer werd het veld gemaaid en het gras bleef liggen om te drogen. Bij de lier en op de startplaats werd bij mooi weer hooi op een hoop gegooid en aldus onstonden flinke bergen. Was er geen hooi te vinden op de lier, geen nood, dan werd een aantal malen met de kabelwagen hooi aangevoerd tot zich een aardige berg had gevormd. Heerlijk rusten en doezelen in het hooi, wat wil je nog meer.
Het was zwoel die middag. Leerling en instructeur zaten in de Goevier onder de warme kap te wachten en begonnen behoorlijk te zweten. De tiploper kreeg een lamme arm. De startofficier begreep er niets van. Geen reactie van de lierman. Vloekend stapte de instructeur uit de kist, liep naar zijn auto en reed naar de lier. Luid toeterend kwam hij daar aan en zag enkele figuren opspringen uit het hooi. Lierman, kabelchauffeur en jawel, de Wijnhovens. Onschuldige gezichten. De hoeveelheid hooi in het haar van de meiden deed bij de instructeur een bang vermoeden rijzen. Er moet heel wat afgekroeld zijn dacht hij. "Opgelazerd en teruglopen naar de startplaats," riep hij de meiden toe. De lierman kreeg een startverbod. De berg van ontucht werd ter plekke in brand gestoken. Nog steeds boos en misschien wat jaloers reed hij snel terug naar de startplaats, hopend op wat thermiek boven de lier. Hij keurde de meiden geen blik waardig. Ze keken strak voor zich uit, behalve die mooie met de brutale ogen.
.
|